Afbouwkeur encyclopedie

Header over Afbouwkeur.jpg

Kaleilaag. Osmose. Aanbranden. Wapeningsgaas. Er zijn heel veel afbouw specifieke termen. Zoals zoveel beroepsgroepen heeft ook de (af)bouwbranche naast het ‘gewone’ Nederlands nog een eigen woordenschat. Vakbroeders verstaan elkaar doorgaans wel, maar we willen geen ‘bouwbylonische’ spraakverwarring. Daarom een afbouw encyclopedie om een groot (en nog steeds groeiend) aantal vaktermen toe te lichten.

A  -  B  -  C  -  D  -  E  -  F  -  G  -  H  -  I  -  J  -  K  -  L  -  M  -  N  -  O  -  P  -  Q  -  R  -  S  -  T  -  U  -  V  -  W  -  X  -  Y  -  Z

Laagdikte

De dikte van een laag.

Laddervenster

Venstertype, veel toegepast in de Amsterdamse school architectuur, waarbij de roedenverdeling doet denken aan de sporten van een ladder.

Lambdawaarde

Zie warmtegeleidingscoëfficiënt.

Lambrisering

Wandbetimmering, meestal bestaande uit paneelwerk, aangebracht tegen het onderste gedeelte van een muur.

Lancetboog

Verhoogde slanke spitsboog

Landelijke Specialisten Gevel-Isolatie

Brancheorganisatie van afbouwbedrijven die gespecialieerd zijn in gepleisterde gevelisolatie.

Landhuis

Royaal opgezet woonhuis in de regel vrijstaand of twee onder een kap gebouwd. Vertoont qua bouwstijl invloeden van stromingen als de Amsterdamse school en de Delftse school.

Langhuisboerderij

Boerderij waarbij het woonhuis en het achterhuis onder 1 dak in elkaars verlengde liggen.

Langsgevel

Gevel zonder top of lijst, meestal de lange zijde van een bebouwingsblok.

Lantaarn


  1. Opengewerkte spits van een toren.

  2. Bekronend motief op de kruin van een koepel in de vorm van een tempeltje.

  3. Glazen kap op het dak van een huis, in de zoldering boven de trap.

Lastenkohier

Zuid-Nederlandse/Belgische benaming voor bestek.

Latei

Draagstuk, draagbalk (van materialen als hout, staal, steen of beton) die dient tot horizontale overspanning boven een deur-, venster- of schoorsteenopening.

Latex

Emulsie op natuurlijke of synthetische basis.

Latexcement

Een met latex gemodificeerde cement.

Leem

Kleiachtige, in vochtige toestand plastische grondsoort bestaande uit een mengsel van klei, silt en zand met relatief veel deeltjes met een grootte van 0,002 mm tot 0,063 mm.

Leemstuc

Stukadoorwerk op basis van leem.

Leipan

Platte dakpan of daktegel.

Lekdorpel

Een profiel aan de boven- of onderzijde van een raam of onderzijde van een deur met als doel inwatering van bijvoorbeeld regenwater te voorkomen.

Lekdrempel

Verbrede onderdrempel aan ramen en deuren om doorslaan van het lekwater te voorkomen, bijvoorbeeld bij de deur van een badkamer.

Leskalk

Verouderde term voor natgebluste kalk. Zie ook kalkdeeg.

Lessenaarsdak

Dak voorzien van slechts 1 hellend dakvlak of dakschild.

Levensduur

De tijd gedurende welke een bouwwerk of een onderdeel daarvan in staat is een voorziene functie te vervullen, hetzij technisch, hetzij economisch.

Licht toeslagmateriaal

Toeslagmateriaal met een soortelijke massa <= 2000 kg/m3 of, wanneer het materiaal los is gestort, met een soortelijke massa <= 1200 kg/m3.

Lichtgewicht dekvloer

Dekvloer waarvan de volumieke massa na 28 dagen verharding minder dan 1400 kg/m3 bedraagt.

Ligger

Ondersteunende balk of profiel.

Lijm

Product bestemd om twee of meerdere materialen duurzaam aan elkaar te hechten. Het merendeel van de lijmen wordt als gebruiksklare mengsels geleverd en bevat synthetische harsen in waterige dispersie of in oplossing in organische oplosmiddelen. Sommige lijmen moeten op het ogenblik van het gebruik worden bereid, bijvoorbeeld door het mengen van twee componenten (reactieve lijmen).

Lijmvoegmethode

Methode om de naden van gipsvezelplaten te verbinden.

Lineaire uitzettingscooëfficiënt

Maat voor uitzetting bij een optredende temperatuurverandering.

Lisenen

Verticale enigszins uit de muur vooruitspringende banden, met een decoratieve geledende functie.

Loggia

Inpandig balkon.

Loodlijn

Lijn die loodrecht op een andere staat, die een andere lijn onder rechte hoeken snijdt.

LSGI

Afkorting voor Landelijke Specialisten Gevel-Isolatie.

Luchtbelvormer

Hulpstof die er voor zorgt dat er tijdens het mengen een gecontroleerde hoeveelheid kleine luchtbelletjes wordt gevormd, welke gelijkmatig zijn verdeeld in de mortelspecie en die aanwezig blijven na verharding.

Luchtgeluidisolatie


  1. Het isoleren tegen luchtgeluiden.

  2. Materiaal dat door zijn samenstelling, zijn massa en/of zijn plaatsingstechniek geschikt is om de overdracht van luchtgeluiden af te zwakken.

Luchtgeluidisolatiewaarde

Een getal dat de gemeten luchtgeluidisolatie tussen de ruimten weergeeft, in relatie tot de normwaarden (symbool Ilu).

Luchtkalk

Kalk welke na het aanmaken met water verhardt door opname van koolzuur uit de lucht.

Luifel

Afdak aan een gebouw aan de straatkant.

A  -  B  -  C  -  D  -  E  -  F  -  G  -  H  -  I  -  J  -  K  -  L  -  M  -  N  -  O  -  P  -  Q  -  R  -  S  -  T  -  U  -  V  -  W  -  X  -  Y  -  Z