Brandveiligheid verlaagde plafonds

06 jul 2015 | door: nexwork | onderwerpen: Plafonds, Stucwerk

Brandveiligheid verlaagde plafonds
Brand is een niet te onderschatten gevaar in gebouwen. In enkele minuten kan een brand op zijn hoogtepunt zijn met grote hitte. Om onszelf te beschermen tegen deze gevaren zijn er testen gedaan en eisen gesteld aan de brandwerendheid van onder andere plafonds. Waaraan moeten gipsplafonds, stucplafonds- en systeemplafonds voldoen voor een bepaalde mate van brandwerendheid?

Gipsplafonds

Voor gipsplaten zijn er in de Nederlandse norm NEN 6073 rekenregels gegeven met betrekking tot de doorbrandtijd van gipsplaten. Op basis van de berekende doorbrandtijd kan dan een bijdrage van de gipsplaten aan de totale brandwerendheid van de constructie worden toegekend.

Stucplafonds

Voor gestukadoorde plafonds zijn er niet veel testgegevens beschikbaar. In het verleden is er een brandproef uitgevoerd bij een stuc-op-steengaas-plafond. Deze geeft een indicatie van wat kan worden aangehouden.

  • Een brandwerendheid van 30 minuten is mogelijk indien de stuclaag is aangebracht op steengaas, in goede staat is en minimaal 20 mm dik is; 
  • 60 minuten brandwerendheid is mogelijk met een stuclaag op steengaas, in een goede staat en met minimaal 40 mm dikte. 

Systeemplafonds

Voor systeemplafonds zijn er relatief zeer veel testgegevens beschikbaar voor de diverse systemen. De rapporten vanaf 1991 zijn op dit moment bruikbaar als bewijsmateriaal voor een aangetoonde brandwerendheid. Voor specifieke gegevens met betrekking tot de verlaagde plafondsystemen en de condities waaronder de aangetoonde brandwerendheid geldig is, dient u contact op te nemen met de producent van het systeem.

Montage-aspecten

Bij de montage van een verlaagd plafondsysteem, is het belangrijk dat het verlaagde plafondsysteem wordt gemonteerd overeenkomstig de uitgevoerde brandproef. De meest essentiële aspecten hierin zijn:

  1. Het ophangsysteem en de plafondplaten: Het is noodzakelijk om in de praktijksituatie een combinatie te kiezen waarvan de brandwerende werking is aangetoond.
  2. Plenumhoogte (dit is de ruimte tussen de bovenzijde van het plafond en de onderzijde van de vloer). De meeste brandproeven zijn gebaseerd op een plenumhoogte van ca. 40 cm. Duidelijk is dat bij een grotere plenumhoogte de opwarming van het plenum langzamer zal gaan en daarmee kan de brandwerendheid hoger uitvallen. Bij een lagere plenumhoogte zal de opwarming van het plenum sneller gaan dan tijdens de uitgevoerde brandproef en daarmee gaat de brandwerendheid omlaag.
  3. Kantlatten. De meeste brandproeven zijn uitgevoerd op plafondsystemen zonder kantlatten. Bij gebruik van kantlatten is het noodzakelijk een systeem te kiezen waarvan de juiste brandwerende werking is aangetoond. Kantlatten zijn alleen toegestaan indien in een brandproef is aangetoond dat de aansluiting van het plafondsysteem met de kantlat adequaat functioneert bij brand.
  4. Voorzieningen: De meeste van deze brandproeven zijn uitgevoerd op dichte plafonds, in de praktijk zitten er in een verlaagd plafond allerlei voorzieningen. Dit zijn meestal lichtarmaturen, speakers, ventilatieopeningen en soms ook leidingen ten behoeve van de CV en/of elektra. 

In principe zijn deze voorzieningen verzwakkingen in de brandwerende werking van het plafond. En in een brandwerendheidsbepaling blijkt telkens dat de zwakste schakel bepalend is voor de uitkomst. Er dient van deze voorzieningen te zijn aangetoond dat de brandwerendheid van de gekozen toepassing van voorzieningen gelijkwaardig is aan de brandwerende werking van het plafondsysteem zelf.

Lees ook de voorbeelden inclusief aanbevelingen om brandveiligheid van verlaagde plafonds te beoordelen.

Andere relevante artikelen