Buitengevelisolatie met gepleisterde afwerking

10 dec 2015 | door: nexwork | onderwerpen: Stucwerk

Buitengevelisolatie met gepleisterde afwerking
Bij buitengevelisolatie moet van te voren goed nagedacht worden over de afwerkingen. In dit artikel gaan we in op de bouwkundige randvoorwaarden en voorzieningen, die nodig zijn voor het aanbrengen van gevelisolatie.

Steiger

  • Minimaal 2 meter vrije ruimte beschikbaar houden. Steiger minimaal 1 meter brede werkruimte. Ca. 30 cm vrij van de onafgewerkte gevel, afhankelijk van de dikte isolatie. (15 -20 cm vanaf afgewerkte gevel).
  • Steigerbevestigingen zover van de gevel dat alléén een draadeind door het isolatiesysteem gaat. Na verwijdering hiervan is dit nagenoeg onzichtbaar af te werken.
  • Steigerslagen van 2 meter hoog, op de begane grond bij renovatie eventueel 2,8 meter i.v.m. draaien van deuren.
  • Afstand trappenhuizen max. 40 meter. 
  • Voldoende verticaal transport voor materiaal, zoals een bouwlift. 
  • De bovenzijde van de steiger afdekken met zeilen tot de leuning van de bovenste slag.
  • Steiger rondom voorzien van licht doorlatende netten tot minimaal de onderste leuning, alles als bescherming tegen regen, zon, wind en te snelle uitdroging.
  • De netten en zeilen kunnen pas verwijderd worden als de sierpleister volledig is uitgehard.

Opslag materiaal

  • Isolatieplaten dienen droog en uit de zon opgeslagen te worden, onder zeilen, in een woning of in containers. Droge mortels opslaan in containers of in het gebouw.
  • Natte pleisters vorstvrij opslaan in zo nodig verwarmde containers of een woning. 

Ondergrond

  • Bij vorst en/of vochtschade vooraf een deskundige raadplegen.

Scheuren

  • Grote scheuren moeten diepgaand hersteld te worden. 
  • Bij “bewegende” scheuren kan een dilatatie in de gevelisolatie worden opgenomen, raadpleeg hiervoor een deskundige. Slecht voegwerk hoeft niet te worden hersteld.

Geverfde gevels

  • Losse verf verwijderen en isolatieplaten aanvullend mechanisch bevestigen. Eventueel verfwerk verwijderen door mechanisch borstelen, stralen of steken. Als alternatief kan een mechanisch bevestigd systeem toegepast worden.

Gepleisterde gevels

  • Los en brokkelig stucwerk eerst afhakken en repareren, zanderige delen eerst diepgronderen. Eventueel een mechanisch bevestigd systeem toepassen.
  • De gevels vooraf controleren op ooit aangebrachte hydrofobering.
  • De niet zuigende oppervlakken (glazuur of tegelwerk) opruwen of afhakken. 
  • Sterk zuigende oppervlakken kunnen met diepgrondering, volgens voorschrift systeemhouder behandeld worden.
  • Eventueel een mechanisch bevestigd systeem toepassen.

Mos- en algengroei

  • Bij algengroei de ondergrond behandelen met algenstop, de alg afborstelen met schoon water, goed naspoelen en voldoende laten drogen.

Natte gevels

  • De gevel dient minimaal winddroog te zijn. Denk aan de krimp bij kalkzandsteen.

Oneffenheden

  • Plaatselijke onvlakheden tot +/- 10 mm wegbikken of uitvlakken. Maximale onvlakheden tot +/- 3 mm zijn toelaatbaar. 
  • Vóóraf afspraken maken met de opdrachtgever over de te eisen vlakheden (volgens STABU of "gevel-volgend").
  • Plaatselijke onvlakheden kunnen opgelost worden d.m.v. uitkrozen van isolatieplaten (denk wel aan de isolatiewaarde), uitvullen met dunne isolatieplaten of uitrapen met mortel.
  • Betonvloeren en kopkanten van wanden bij voorkeur 1cm terughouden. 

Metalen voorwerpen aan de gevel

  • Aanwezig staal door stralen of borstelen van roest ontdoen en meniën of bitumineren. Nieuw staal aan de gevel minimaal thermisch verzinken. 
  • Stalen balken en kolommen in de ondergrond voorzien van een cementgebonden plaatmateriaal, waarop de isolatie kan worden aangebracht.

Houtskeletbouw of houtachtige ondergrond

  • Houtachtige ondergrond, alléén van cementgebonden plaatmateriaal, voldoende stevig bevestigen met niet corrosieve, verdiept aangebrachte schroeven. Schietnagels- of nieten zijn toegestaan mits ze geprofileerd of gewaxt zijn en alléén voor kleine stukken. 
  • Cementgebonden plaatmateriaal opslaan en bevestigen volgens voorschrift fabrikant. Voornamelijk schroeven, niet met draadnagels of nieten.

Fundering

  • Fundering na voldoende droging d.m.v. borstelen ontdoen van grondresten. Voldoende diep uitgraven zodat de stukadoor ook de onderkant van het systeem goed kan afwerken.
  • Bij voorkeur het systeem in de grond tot een nader te bepalen hoogte aanbrengen, (plint) vervolgens afwerken en aanvullen. Daarna de steiger zetten en het systeem boven de grond aanbrengen.

Kozijnen

  • Kozijnen rondom luchtdicht afwerken met kit of afplakken met tape. (Purschuim voldoet niet.) Minimaal 5 cm op het kozijn en op de ondergrond plakken. 
  • Extra aandacht voor afdichten rond kozijnankers. De kozijnankers mogen geen belemmering vormen bij het aanbrengen van de isolatie. 
  • Lekkagerisico's zijn groot bij kozijnen die vlak in de gevel liggen of er buiten steken, extra aandacht is noodzakelijk.

Hemelwaterafvoeren

  • Tijdelijke hemelwaterafvoeren aanbrengen tot buiten de steiger. Montage afvoeren vooraf: bij voorkeur dóór de isolatieplaten pluggen met rozet aanbrengen, daarin een draadeind van voldoende lengte dat met tape afgeplakt is. Na het weefselen en sierpleisteren kan de tape verwijderd worden en de afvoer zonder verdere voorziening worden gemonteerd.
  • Montaqe afvoeren achteraf: gat boren door isolatie tot in ondergrond. Plug aanbrengen en voorzien van roestvaststalen draadeind.
  • Het boorgat afdekken met een moer op het draadeind waaronder een ring en kit. Vervolgens op het draadeind een bevestigingsblokje voor de hemelwaterafvoerbeugel. Minimaal 30 mm vrije ruimte houden tussen sierpleister en de hemelwaterafvoer.

Start isolatiewerk

  • Met het aanbrengen van gevelisolatie mag pas worden begonnen als alle voorbereidende werkzaamheden gereed zijn.
  • Demontage van voorwerpen aan de muur (bij renovaties).
  • Montage van alle noodzakelijke voorzieningen aan de muur.
  • Natte werkzaamheden binnen (dekvloeren en stucwerk) dienen bij voorkeur gereed te zijn en eventueel lekwater van gietvloeren mag nooit achter de gevelisolatie komen.
  • Ondergrond dient vetvrij, stofvrij, schoon, winddroog, draag- en zuigkrachtig, stabiel, voldoende vlak, alg- en mosvrij te zijn.
  • Kozijnen en waterslagen beschermen tegen smetwerk door mortels.
  • Onder de gevelisolatie aanwezig metselwerk vooraf beschermen met b.v. plastic folie tegen vervuiling door vallende mortel. 

Voorzieningen op en aan de isolatie

  • Alle in de gevelisolatie aan te brengen voorzieningen moeten zijn gemaakt van roestvast staal (zoals RVS of aluminium).

Grote voorzieningen

  • Voor voorzieningen zoals hekken, zonwering e.d. die later geplaatst worden dient óm het draadeind een bus geschoven te worden die net buiten de gevelisolatie steekt. Vervolgens een ring met kit er achter om het gat af te dichten. De te plaatsen voorziening kan gemonteerd worden en strak aangetrokken, zodat deze ook zijdelingse spanning kan opnemen.
  • Onder de bevestiging een druiprand maken om vervuiling van de gevel tegen te gaan.

Naamplaatjes

  • Deze kunnen óp het isolatiesysteem geplaatst worden d.m.v. oplosmiddelvrije kit.

Naamborden

  • Deze kunnen met pluggen en lange schroeven door het isolatiesysteem bevestigd worden. De boorgaten met kit afdichten vóór de montage.

Waterslagen

  • Overstek minimaal 30 mm buiten de afgewerkte gevelisolatie. Aluminium waterslagen breder dan 120 mm dienen h.o.h. 40 cm voorzien te zijn van klangen tegen opdrukken en indrukken bij b.v. glazenwassen.
  • Ter voorkoming van hinderlijk tikken bij regenval en condensatie onder de waterslagen kunnen aluminium waterslagen aan de onderzijde fabrieksmatig voorzien worden van een anti-dreunlaag. 
  • Waterslagen, bij voorkeur met fabrieksmatig aangebracht beschermfolie laten leveren. Extra afplakken en beschermen op het werk is dan niet meer nodig.
  • Waterslagen dienen waterdicht op de ondergrond aangebracht te worden. Plaats kit of band tussen waterslagen kozijn.
  • Houd bij aluminium waterslagen langer dan 2 meter én bij donkere kleuren rekening met thermische uitzetting. Dit kan opgevangen worden door kopschotjes met drainstukjes, deze sluiten waterdicht aan. 
  • De speling van het kopschotje fixeren d.m.v. een ca. 2 mm dikke draadnagel, die na afloop verwijderd wordt. 
  • Alle waterslagen dienen op de uiteinden voorzien te zijn van voor gevelisolatie geschikte kopschotjes, zogenaamde "U" -kopschotjes, om vervuiling van de sierpleister bij de kopeinden tegen te gaan. 
  • Waterslagen van kunststeen of beton zijn geschikt, mits goed ondersteund. De thermische uitzetting hiervan is verwaarloosbaar.

Geveldoorbrekingen

  • Ventilatie- en afvoerpijpen, kacheldoorvoeren e.d. oplengen tot minimaal voorzijde gevelisolatie.
  • Verlengde doorvoeren water- en luchtdicht afdichten met purschuim, kit of band. Kacheldoorvoeren aanwerken met minerale wol. Het stukadoorsbedrijf kan hier rondom heen waterdicht aansluiten.

Dakranden

  • Dakranden dienen minimaal een horizontale overstek te hebben van 30 mm.
  • De muurafdekplaat dient van b.v. multiplex te zijn, naar achteren afwaterend.
  • De koppelnaden moeten dicht zijn of worden gekit.
  • Horizontaal minimaal 20mm buiten gevelisolatie. Na het aanbrengen van de daktrim is dat dan 30 mm.
  • Daktrim voorzien van koppelstukjes en aan bovenzijde de koppelnaad afkitten.

Speciale voorzieningen

  • Vooraf dienen voorzieningen aangebracht te worden voor lampen, hekken, zonwering e.d.
  • Klossen voor lampen e.d. van hardhout (géén merbauhout i.v.m. bloeden) of gemenied multiplex. Dikte tot voorzijde isolatieplaat. Deze wordt verder in het isolatiesysteem opgenomen.) RVS nagel plaatsen voor herkenning naderhand.
  • Bevestigingsmiddelen alleen van roestvast staal. Onder andere materialen (aluminium armen van zonwering e.d.) altijd een druiprand aanbrengen.

Uitvoering

 Buitengevelisolatie uitvoeringen.jpg